Pedagogisch beleid 2020-2021

Voorwoord

Dit pedagogisch beleidsplan is het document waarin het beleid wordt weergegeven dat De Mus nastreeft ten aanzien van de opvang en begeleiding van de peuters op de peuterspeelzaal. In dit plan wordt duidelijk hoe de Mus belangrijk vindt bij het werken met jonge kinderen, daarnaast gaat dit plan in op de organisatorische werken van de Mus. Het pedagogisch beleidsplan geeft hiermee richting aan ouders en pedagogisch medewerkers over de doelstellingen en hoe deze te bereiken.

Naast dit pedagogisch beleidsplan is er een veiligheids- en gezondheidsbeleid waarin de risico’s en veiligheidshandhaving beschreven staat. Tenslotte hebben we het derde deel: de protocollen. Deze bevatten vaste afspraken over hoe pedagogisch medewerkers in bepaalde omstandigheden handelen. Dit geeft voor kinderen, ouders en pedagogisch medewerkers duidelijkheid. Zeker in lastige situaties als ziekte en ongevallen of calamiteiten is het prettig wanneer iedereen weet wat er van hem of haar verwacht wordt.

Er is sprake van een stijgende erkenning voor het werk in de voorschoolse periode. De landelijke aandacht vertaalt zich ook in een toename van de regelgeving. De wet IKK en de wet Harmonisatie Kinderopvang, stellen strikte eisen aan beleid, aanpak en voorwaarden. De Mus wilt meebewegen, maar ook het eigen karakter en de visie hoog houden.

De kracht van de Mus is kleinschalige opvang, met veel persoonlijke aandacht voor het kind. Het ‘Spelenderwijs leren’ staat op nummer 1. De pedagogisch medewerkers, het bestuur, de coach en alle betrokken ouders zetten zich in om een fijne, veilige en uitdagende speelomgeving voor de peuters te creëren. Waarbinnen er veel aandacht is voor de ondersteuning van het spel, maar ook de ruimte aan kinderen wordt gegeven om zelfstandig te spelen en te ontdekken. Het ‘leren’ komt daar grotendeels vanzelf uit voort.

Bij de Mus werkt één betaalde beroepskracht, zij wordt bijgestaan door vrijwilligers en onbetaalde beroepskrachten. In het onderstaande stuk worden deze medewerkers benoemt als, pedagogisch medewerkers. Tenzij er specifiek verschil moeten worden gemaakt in de vrijwilligers, betaalde- of onbetaalde beroepskrachten.

1. Stichting De Mus

In juli 1985 is stichting De Mus opgericht in Amsterdam Oost. Het is ontstaan uit een ouderinitiatief vanuit de behoefte om een veilige en plezierige plek te creëren waarin peuters zich verder kunnen ontwikkelen. Sinds 1985 is de stichting verder geprofessionaliseerd, echter tot de dag van vandaag probeert de Mus zijn eigenheid en kleinschaligheid te behouden en is ouderbetrokkenheid – en participatie een belangrijk aspect.

1.1 Visie en missie

Peuterspeelzaal De Mus vindt het belangrijk dat kinderen zich veilig en vertrouwd voelen en dat ze tijdens het spelen ‘uitdaging, verwondering en ontdekken’ meemaken. Het is belangrijk dat ze persoonlijke en sociale competenties ontwikkelen en dat ze de basisprincipes van met elkaar omgaan leren. Het hoofddoel is de kinderen te laten spelen, alleen en met anderen, binnen en buiten. De pedagogisch medewerkers besteden aandacht aan de ontwikkeling van het kind op verschillende gebieden zoals motoriek, taal- en spraak, sociale competenties, zelfredzaamheid en creativiteit. Doordat de pedagogisch medewerkers zowel individuele als groepsgerichte aandacht geven, krijgt het kind de kans zich zo volledig mogelijk te ontplooien en stimuleren wij de algehele ontwikkeling optimaal. Hierbij bekijken we of de ontwikkeling goed verloopt, zodat eventuele problemen of achterstanden vroegtijdig kunnen worden opgemerkt.

1.2 Algemeen

De Mus biedt maandag-, dinsdag-, woensdag-, donderdag- en vrijdagochtend van 8.30 tot 13:15 uur speelruimte voor maximaal 8 kinderen per dag. Alle kinderen zitten bij elkaar in één groep. Variatie binnen de groep is er in leeftijd, taal, culturele achtergrond en ontwikkeling. De verhouding tussen jongens en meisjes en de leeftijdsopbouw is afhankelijk van de aanmeldingen. Wij streven naar een gelijk verdeelde groep van twee- en driejarige kinderen.

2. Pedagogisch beleid

Het pedagogisch beleid voldoet aan de opvoedingsdoelen zoals geformuleerd door Riksen-Walraven (2000). Waarbij de volgende vier pedagogische doelen centraal staan:

Doel 1: Het bieden van emotionele en fysiekeveiligheid en geborgenheid
Doel 2: Het bevorderen van de persoonlijke competentie
Doel 3: Het bevorderen van de sociale competentie
Doel 4: Het bevorderen van de morele competenties

Hieronder wordt per doel omschreven hoe De Mus hier invulling aangeeft. Hiernaast worden binnen De Mus de Sociaal-emotionele ontwikkeling doelen van het jonge kind tot 4 jaar (SLO doelen) voor rekenen, taal en sociaal- emotionele vaardigheden als leidraad bij het vormgeven van deze doelen gebruikt.

Doel 1: Het bieden van emotionele en fysieke veiligheid en geborgenheid

De Mus hecht veel belang aan structuur, duidelijkheid en vaste gezichten op de groep, zodat de kinderen zich veilig en geborgen kunnen voelen. De betaalde beroepskracht is tijdens alle ochtenden dat De Mus open is aanwezig, waardoor de kinderen een vast hechtingsfiguur hebben op de groep. Deze betaalde beroepskracht is tevens de mentor van de kinderen en het eerste aanspreekpunt voor ouders/ verzorgers. Daarnaast bestaat de afspraak dat een vrijwilliger minimaal twee ochtenden aanwezig is er wordt getracht hierin zoveel mogelijk continuïteit te bieden. De onbetaalde beroepskracht is vier ochtenden per week aanwezig. Wanneer de onbetaalde beroepskracht niet aanwezig is en er geen vrijwilliger beschikbaar is wordt er een ouder ingezet. Alle ouders bij de Mus hebben een VOG, de ouders maken gebruik van een roulatieschema en staan klaar als achterwacht.

Door de kleinschaligheid van De Mus is er relatief weinig verloop in kinderen en zien de kinderen elkaar regelmatig wat de emotioneel veiligheid verder bevorderd.
In de omgang met de kinderen is responsiviteit en aandacht voor de kinderen een belangrijk doel. De kindjes van De Mus weten bij wie ze terecht kunnen voor troost en steun als ze dat nodig hebben. De pedagogisch medewerkers sturen hier ook actief op aan als ze merken dat een kind verdrietig is of zich niet prettig voelt. De positieve emoties worden opgemerkt en bekrachtigd en er wordt op een respectvolle manier met elkaar omgegaan.

Andere aandachtspunten met betrekking tot het versterken van het gevoel van veiligheid zijn de vaste dag rituelen, vaste groepsafspraken en grensafbakening ten einde duidelijkheid te geven zodat de kinderen weten wat ze kunnen verwachten en wat er van hen verwacht wordt wat het veiligheidsgevoel bevorderd.

Doel 2: Het bevorderen van de persoonlijke competentie

2a. Taal- en spraakontwikkeling

Op De Mus wordt Nederlands gesproken, zodat elk kind deze taal leert te begrijpen en te spreken. Het aanleren van de Nederlandse taal gebeurt spelenderwijs, in de vorm van boekjes voorlezen, verhaaltjes vertellen, liedjes zingen, voorwerpen benoemen en gesprekjes voeren met de kinderen. Bij deze gesprekjes is het belangrijk om veel vragen te stellen en de kinderen de tijd te geven om een antwoord te formuleren. Door veel met kinderen te praten, komen ze in aanraking met allerlei woorden en hun betekenis en horen ze meer zinnen met een ingewikkelde zinsbouw. Het taalgebruik wordt aangepast aan wat het kind aankan. Tijdens het praten met kinderen wordt er door de pedagogisch medewerkers op gelet of een kind duidelijk praat, of het alle letters kan uitspreken, of het te verstaan is en begrijpt wat er wordt gezegd en of een kind al zinnetjes kan maken.

Als een kind onduidelijk spreekt zal de pedagogisch medewerker het slecht gearticuleerde woord zelf herhalen en op de juiste manier teruggegeven. Dit doen zij tevens wanneer een kind een incorrect geformuleerde zin uitspreekt, de pedagogisch medewerker herhaalt het op de correcte manier. Bijvoorbeeld ‘Janne heeft mijn auto gedieft’! ‘Oh heeft Janne je auto afgepakt’? De pedagogisch medewerkers leggen verder geen nadruk op deze ‘fouten’. Het kind hoort de uitspraak op de juiste manier terug, maar wordt niet actief gecorrigeerd.

De pedagogisch medewerkers differentiëren ook in hun communicatie met de kinderen. Tijdens het voorlezen, of tijdens gesprekjes, zo schikken zij zich naar het ontwikkelingsniveau van het kind door middel van verschillende soorten vraagstellingen. Enkele voorbeelden hiervan zijn het gericht inzetten van bijvoorbeeld aanwijs- en denkvragen. Daarnaast laat de pedagogisch medewerker haar waardering blijken voor gemaakte knutsel- of bouwwerken, maar stelt zij ook wel eens de vraag ‘Hoe heb je dat nou gedaan’? Of ‘Hoe heb je die kleuren zo groot gekregen’. Dit soort openvragen stimuleren een meer verbale reactie bij het kind.

Bij de Mus zijn ook meertalige  kinderen aanwezig. Bij een meertalige opvoeding ervaren kinderen dat er twee of meer talen bestaan en moeten ze leren die talen uit elkaar te houden. Over het algemeen verloopt dit proces bij jonge kinderen heel natuurlijk. Kinderen hebben snel door bij wie welke taal hoort. De pedagogisch medewerkers van de Mus adviseren ouders dan ook altijd om consequent in hun moedertaal met hun kind te spreken. Door een taal aan een bepaalde persoon te koppelen, leert het kind welke klanken, woorden, grammatica en taalregels bij de ene of de andere taal horen.

2b. Creatieve ontwikkeling

Vrij spelen en expressieactiviteiten zijn een belangrijk onderdeel bij De Mus. Wij laten de kinderen zoveel mogelijk hun gang gaan tijdens het vrij spelen. De pedagogisch medewerker stimuleert de kinderen door zelf mee te doen en een voorbeeld te zijn voor de kinderen die nog niet goed weten wat ze kunnen doen. Dit doet zij door middel van modelling.Zo kan zij op een laagdrempelige manier het spel stimuleren en verdiepen. De pedagogisch medewerker zal de kinderen laten kennismaken met verschillende soorten materialen en hen laten experimenteren met creatieve middelen. We vinden het belangrijk om de kinderen vrij te laten in hun creativiteit. Sommige kinderen vinden bijvoorbeeld een werkje al af als er maar één ding is opgeplakt, andere kinderen kunnen er tijden mee bezig zijn. De pedagogisch medewerker laat ten alle tijde haar waardering blijken voor het gemaakte werkstuk. Voorbeelden van activiteiten die de creativiteit bevorderen zijn: scheuren, prikken, knippen (oudsten), plakken, tekenen, kleuren, stiften, krijten, sjabloneren etc. Ook bij de knutselactiviteiten wordt gewerkt aan de hand van (seizoens)thema’s.

De ontwikkeling van zelfstandigheid en zelfredzaamheid vinden wij heel belangrijk bij de Mus, ook met betrekking tot de creatieve ontwikkeling komt dit terug. Op het moment is de speelleeromgeving is er nog niet op ingericht dat de kinderen zelfstandig hun materialen kunnen kiezen. Dit wordt een doel voor het komende jaar. Om een atelier hoek te realiseren waar onder andere verf, klei, lijm, verschillende soorten papier, stoffen en andere knutselmaterialen te vinden zijn, wat de kinderen zelfstandig kunnen pakken. Voor de jongere kinderen zijn er dan andere sensopathische materialen aanwezig zoals, klei, kinetic sand of bakken met bijvoorbeeld erwten, pasta of rijst.

Ook muziek is een creatieve uiting die regelmatig terugkeert bij De Mus. We spelen met muziekinstrumentjes of dansen op een CD met kindermuziek. Verder zingen we elke dag bij het fruit eten een aantal liedjes.

2c. Lichamelijke (motorische) ontwikkeling

We letten zowel op de grove motoriek als op de fijne motoriek. De grove motoriek wordt overal buiten geoefend. Ons gebouw is gevestigd op de begane grond. Wij hebben een grote en veilige binnentuin tot onze beschikking. Hierdoor vinden elke dag activiteiten buiten plaats, mits het weer dat toe laat. In onze binnentuin staan op dit moment een zandbak, een glijbaan, twee schommels en een klimtoestel. Voor het buitenspelen is in de schuur voldoende speelmateriaal aanwezig: zandspeelgoed, stoepkrijt, ballen etc. Er wordt veel geklommen, geklauterd en gehinkeld, we hebben meerdere fietsen zonder zijwieltjes en loopfietsjes. De kinderen leren hiermee om het evenwicht te bewaren waardoor je sneller leert fietsen. Bijna alle kinderen leren zonder zijwieltjes fietsen bij De Mus!

Bij slecht weer verplaatsen we onze activiteiten naar binnen, waarbij met name de fijne motoriek geoefend wordt. Deze motoriek komt bij het knutselen aan de orde door te prikken, rijgen, knippen, scheuren en opplakken. Er is veel materiaal zoals cd’s met kinderliedjes om te bewegen op muziek, spelletjes, verschillende gradaties puzzels, blokken, treinbanen, een keukentje en een winkeltje. Met klein speelmateriaal wordt aan tafel gespeeld.
Mochten de kinderen niet naar buiten kunnen en duidelijk aangeven behoefte te hebben aan een grof motorische activiteit dan hebben de pedagogisch medewerkers enkele activiteiten achter hand. Variërend van dans- bewegingsspellen tot muziekspellen. In de binnenruimte wordt dan een plek gecreëerd waar kinderen ruimte hebben om zich te bewegen.

2d. Het stimuleren van de identiteit en zelfredzaamheid

Om de identiteit te stimuleren, gebruiken we regelmatig de voornaam. Daarnaast leren de kinderen spelenderwijs de namen van de andere kinderen. Het zelfvertrouwen vergroten we door het kind te laten ervaren wat hij al kan, hem te prijzen als hij iets goed doet, of hem te helpen waar dat nodig is. Dagelijks werken we aan de zelfstandigheids- en de zelfredzaamheidtraining, zoals zelf handen wassen, zelf de jas aantrekken, naar de wc gaan, broek ophalen, maar ook een puzzeltje maken of zelf iets opruimen. Hierbij letten we op wat het kind al kan en waar hij op dat moment aan toe is. Doordat we genoeg ruimte geven voor zelfstandigheid en het kind laten weten dat hij fouten mag maken, wordt de zelfstandigheid gestimuleerd. Een kind dat uit ervaring weet dat hij fouten mag maken, durft er voor uit te komen dat hij iets niet weet of niet kan. Wij hebben verkleedkleding, een minikeukentje en een strijkplank met strijkijzer waarmee de kinderen een rollenspel kunnen doen en de thuissituatie een beetje kunnen naspelen. Ook beschikken wij over een poppenkast met verschillende handpoppen, hiermee kunnen wij of de kinderen ook situaties uitspelen. Dit is een veilige vorm van spel om de wereld te leren begrijpen en sommige situaties te verwerken. Ook is er een leeshoek en een bank waar kinderen in een boekje kunnen kijken of voorgelezen kunnen worden.

Waar mogelijk en indien de kinderen hier interesse in hebben laten we de kinderen helpen bij kleine taakjes. De kinderen hebben er bijvoorbeeld veel plezier in door te helpen met het onkruid te wieden en in de herfst de blaadjes in een kruiwagen te stoppen.

2e. De verstandelijke (cognitieve) ontwikkeling

Onder de verstandelijke ontwikkeling verstaan we het opdoen van kennis en vaardigheden en het leren denken en uiten. Het zelfstandig bedenken van oplossingen voor problemen door het kind is van groot belang in de cognitieve ontwikkeling, bijvoorbeeld door zelf een puzzel proberen te maken. Er zijn puzzels met verschillende moeilijkheidsgraden, voor de jongsten zijn er insteekpuzzels, voor de oudsten zijn er ook puzzels met een extra moeilijkheidsgraad. Veel praten met kinderen, verhaaltjes voorlezen, puzzelen, kleuren, maar ook het aanbieden van allerlei materiaal aan de allerkleinsten laat hen ervaren hoe bijvoorbeeld een bal aanvoelt en hoe een zachte knuffel. Door het aanbieden van verschillende materialen en het doen van allerlei activiteiten die aansluiten bij de mogelijkheden en de belevingswereld van de kinderen trachten we de cognitieve ontwikkeling te bevorderen. Daarnaast worden de pedagogisch medewerkers dit jaar gecoacht op het bewust werken aan het creëren van een omgeving waarin het zogenaamde groeibrein wordt gestimuleerd. Vooral bij jonge kinderen kunnen wij nog veel invloed hierop hebben. Door middel van het gericht inzetten van procescomplimenten wordt een groeibrein (mindset) gestimuleerd. Kinderen met een groeimindset hebben een groter doorzettingsvermogen, zien obstakels of knelpunten als een uitdaging en hebben een hogere persistentie wanneer zij iets ingewikkelds moeten doen. Een procescompliment slaat op het proces, een voorbeeld ‘Ik zag dat je het lastig vond om je eigen jas dicht te doen, maar je hebt het toch geprobeerd’. In plaats van ‘Wat ben je toch een knappe jongen’, wat een persoonscompliment is. Door het geven van teveel persoonscomplimenten kan juist het tegenovergestelde worden bereikt. Het is een kleine interventie, maar met een mogelijk groot effect en het draagt bewust bij aan de cognitieve ontwikkeling.

Doel 3: Het bevorderen van de sociale competentie

Door de verticale samenstelling van de groep kan ieder kind uitstekend oefenen met sociale vaardigheden. Op de achtergrond is er altijd een pedagogisch medewerker die de grenzen aangeeft. Het kind gaat om met leeftijdgenoten en met jongere en oudere kinderen en dat resulteert in een gebalanceerde sociaal-emotionele ontwikkeling. De tweejarige peuter moet nog leren spelen en ontdekken wat hij met speelgoed kan doen. Hij leert dit niet alleen door stimulering van de pedagogisch medewerkers, maar ook doordat hij andere kinderen ziet spelen. Peuters staan nog aan het begin van samenspelen. Door het aanbieden van gezamenlijke activiteiten wordt dit gestimuleerd. Andere sociale omgangsvormen, zoals op elkaar wachten, elkaar helpen, elkaar troosten worden ook gestimuleerd. De groepsregels van de Mus sluiten hier ook op aan. Onder andere het ‘Samen spelen, samen delen’ en ‘Stop hou op’. Wanneer kinderen onderling een conflict hebben komt de pedagogisch medewerker altijd in de buurt, maar zij grijpt niet direct in, tenzij er een gevaarlijke situatie ontstaat. De kinderen worden gestimuleerd om voor zichzelf op te komen, de pedagogisch medewerkers geven hen daarvoor handvatten. Bijvoorbeeld ‘Stop hou op’. De kinderen worden begeleidt in het gezamenlijk zoeken van een oplossing. Hierdoor ontwikkelen ze ook op dit soort punten een zelfstandigheid, en de tools om dit later op het schoolplein ook zelf te kunnen doen. De pedagogisch medewerkers blijven altijd in de buurt om het in de gaten te houden.

Doel 4: Het bevorderen van de morele competenties

Bij De Mus is er veel vrijheid, maar wel binnen bepaalde kaders en groepsregels.

Omdat peuters nog niet goed weten wat samen spelen is en omdat ze de wereld om zich heen nog egocentrisch (vanuit zichzelf) bekijken, zijn er regelmatig kleine conflicten. Wat een peuter wilt hebben, wilt het onmiddellijk, ongeacht of er een ander kind mee speelt. Sterker nog, juist omdat een ander kind ergens plezier in heeft, wordt een peuter op het idee gebracht. Zo is samenspel vooral voor de jongste peuters een afwisseling van spel en kleine ruzietjes. Ingrijpen door de pedagogisch medewerkers is echter bijna nooit nodig, omdat de ruzietjes het spel nauwelijks lijken te beïnvloeden. Bij gedrag dat niet genegeerd kan en mag worden, zoals plagen, pesten, buitensluiten of elkaar pijn doen, wordt er door de pedagogisch medewerker ingegrepen. Geduldig en vriendelijk, maar wel duidelijk wordt uitgelegd waarom iets niet mag. Als het nodig is wordt het kind even apart genomen en apart gezet om tot rust te komen. De leidsters benaderen de kinderen zoveel mogelijk op een positieve manier. Dit doen zij door complimentjes te geven aan de kinderen als zij iets goed doen. Wanneer een kind iets niet mag en hij/zij doet het toch, dan legt de leidster uit waarom dit niet mag. De sociale houding die het kind geleerd wordt komt overeen met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Naarmate de peuter ouder wordt, wordt hem aangeleerd rekening te houden met elkaar en elkaars eigendommen, elkaar te respecteren, voorzichtig en zorgvuldig om te gaan met het speelgoed en mee te helpen met opruimen.

3. Het pedagogisch handelen

3.1 Het dagritme op de groep

De Mus heeft zijn eigen dagindeling, afgestemd op de behoefte van de kinderen. Peuters hebben nog weinig begrip van tijd en hebben geen idee van wat het betekent als er gezegd wordt: “Ik kom je straks weer halen”.

Door het aanbieden van een dagindeling met een regelmatig en consequent programma en vaste regels wordt het “straks” voor de peuter verduidelijkt. Via een vaste structuur van “eerst gaan we dit doen”, “dan gaan we wat drinken”, “dan gaan we dat doen” en “dan komt mama”, leren we het kind vertrouwen te krijgen in de omgeving en dat mama hem inderdaad weer komt halen. Deze dagindeling is visueel gemaakt door middel van dagritme kaarten en geeft zowel de kinderen als de pedagogisch medewerkers houvast.

Een ochtend bij De Mus is iedere dag gevarieerd, maar heeft wel een aantal vaste momenten:

8.30 – 9.30uur: Kinderen brengen. Ouders kunnen tot deze tijd blijven, er kan een  kopje koffie of thee worden gedronken, samen met het kindje een puzzeltje maken of een boekje lezen en er is gelegenheid tot uitwisselen van informatie. De kinderen later brengen kan alleen bij uitzondering en na voorafgaand overleg met de pedagogisch medewerker.
9.30uur: Vrij spelen binnen of buiten of aan tafel een knutselactiviteit.
10.15uur: Fruit eten. Eerst worden de handen gewassen, alle kinderen gaan aan tafel. Er wordt interactief met de groep een boekje voorgelezen of een aantal kinderen noemen een liedje dat vervolgens gezamenlijk gezongen wordt.
10.45uur: Vrij spelen, dit kan binnen of buiten (ligt ook aan het weer) of er wordt een activiteit aangeboden.
11.30uur: Iedereen handen wassen. Brood eten en water of diksap drinken.
12.15uur:  Buiten spelen
13:00-13:15uur: Kinderen ophalen
Na 13.30uur wordt de toegang tot de peuterspeelzaal en het buitenterrein afgesloten.

3.2 Activiteiten

Bij De Mus worden zowel binnen- als buitenactiviteiten aangeboden.
Voor het buitenspelen is er voldoende aanbod op het speelterrein en in de schuur is voldoende en gevarieerd speelmateriaal aanwezig. Er wordt door het vele buitenspelen veel aan de grove motoriek gedaan zoals: klimmen, klauteren, hinkelen. We hebben fietsen zonder zijwieltjes en meerdere loopfietsjes waarmee de kinderen hun evenwicht trainen.

Als het weer slecht is gaan we gezamenlijk knutselen. Wanneer de activiteit erg arbeidsintensief is (sjabloneren, handjes stempelen, knippen) wordt er gekozen voor een knutselactiviteit in kleine groepjes. Mogelijkheden: scheuren, prikken, knippen, plakken, tekenen, kleurpotloden, stiften, waskrijt, etc. Ook bij de knutselactiviteiten wordt gewerkt aan de hand van thema’s die vaak met het seizoen te maken hebben.

Verschillende aspecten van de ontwikkeling van elk kind kunnen in het vrije spel tot ontplooiing komen. Op de peuterspeelzaal gebeurt dit onder begeleiding van de pedagogisch medewerkers. Er is divers speelmateriaal op De Mus aanwezig dat de fantasie, de grove en fijne motoriek prikkelt en dat aansluit op de cognitieve ontwikkeling van de peuters.

De kinderen van de Mus spelen veel zelfstandig en met elkaar. Maar de pedagogisch medewerker neemt ook zelf actief een rol in het spel. Dit geeft mogelijkheden tot verdieping, die kinderen zelf vaak niet tot stand kunnen brengen. De pedagogisch medewerkers zorgen daarbij allereerst voor een rijke speelleeromgeving. Dit betekent dat de inrichting en materialen zich lenen voor spel en handelen. Een oventje waar je ook echt iets in kan doen, een toetsenbord met knopjes die je in kan drukken. Zo stelt de inrichting van de ruimte de kinderen ook in staat om een rollenspel te spelen. ‘Echte materialen’ in de hoeken zorgt voor verdieping van het spel.

Doordat de pedagogisch medewerker soms deel neemt aan het spel kan zij deze verdieping door zetten. Soms brengt ze een voorwerpt in, een probleem, een verhaal of vraag. Soms doet zij alleen maar voor wat je met materiaal kan doen om de kinderen op verschillende gedachten te brengen.

Uitstapjes: De Mus maakt eens per jaar een uitstapje, zoals Artis of poppentheater Koos Kneus. Ouders springen bij op deze momenten, er wordt een verdeling gehanteerd van een ouder op twee kinderen. Vervoer gaat lopend dan wel met het OV.

De Mus werkt met thema’s. Ieder jaar wordt er aan het begin een themaplanning gemaakt. De thema’s sluiten aan bij de belevingswereld van de kinderen. De start- en einddatum van de thema’s kunnen verschillen omdat er rekening wordt gehouden met de wens van de kinderen om het thema langer of korter te laten duren.

3.3 Groepsregels / aanpak probleemgedrag

Er zijn vaste groepsafspraken, zodat de kinderen weten wat ze kunnen verwachten wat het veiligheidsgevoel bevorderd. Ook worden er grenzen gesteld om duidelijkheid en houvast te geven. Een aantal afspraken zijn:
Op je beurt wachten
We doen aardig tegen andere kinderen
Alle kinderen mogen meedoen
Samen spelen, samen delen
Stop hou op

Er worden maatregelen getroffen als een kind ongewenst gedrag laat zien, zoals een ander kind pijn doen (spullen afpakken, bijten, slaan, duwen, gooien), of een ander kind uitsluiten. De pedagogisch medewerker reageert dan direct om het negatieve gedrag te stoppen. Indien nodig wordt het betreffende kind even apart gezet. Naderhand wordt er met het kind gesproken en positief afgesloten, de pedagogisch medewerker stimuleert het kind om zelf een oplossing te bedenken voor het ‘goed’ maken. Wil je sorry zeggen, of een knuffel geven, een aai of even zwaaien. Het belangrijkste is dat de situatie voor beide kinderen positief wordt afgesloten. Er wordt benoemd dat emoties er mogen zijn, maar dat je geen andere kinderen pijn mag doen.

3.4 Wenperiode

De Mus biedt kinderen de mogelijkheid om gedurende een periode van twee weken te komen wennen, in bijzijn van een ouder/verzorger. Het kind kan gedurende deze periode boventallig geplaatst worden en verblijft gedurende deze periode steeds onder verantwoordelijkheid van de ouder/ verzorger. Deze periode kan aanvangen vóór de tweede verjaardag van het kind en vóór de ingangsdatum van de opvang.

Vanaf de ingangsdatum van de opvang, wanneer het kind minimaal de leeftijd van twee jaar heeft bereikt, worden opvangkosten in rekening gebracht. Er kan dan nog steeds sprake zijn van wennen maar de ouder/verzorger is niet verplicht aanwezig te blijven.

3.5 De interactievaardigheden van de pedagogisch medewerkers

De Mus heeft een pedagogisch coach- beleidsmedewerker. Zij kijkt onder andere naar het pedagogisch handelen van de pedagogisch medewerkers. Voor een uitgebreide omschrijving van de taken van de coach- beleidsmedewerker zie het document  ‘Inzet pedagogisch coach- beleidsmedewerker’. Tevens is er een document genaamd ‘Coachingsplan’ hierin omschrijft de coach per jaar aan welke onderdelen zij gaat werken. Het bewust kijken naar de interactievaardigheden is een item voor de coaching van komend jaar.

Wat zijn de interactievaardigheden en hoe willen we het terugzien?
1. Sensitieve responsiviteit. Dat doet de pedagogisch medewerker onder andere door te benoemen wat het kind doet en voelt en het kind te stimuleren hier zelf op in te gaan, het zogenaamde ‘rijtje van vijf’ (Van Delft et al., 2010);

  1. Respect voor autonomie. De pedagogisch medewerker benoemt bijvoorbeeld dat iedereen anders is en mag zijn wie hij is en eigen keuzes mag maken;
  2. Structureren en grenzen stellen. De pedagogisch medewerker stelt bijvoorbeeld passend, consequent en concreet grenzen;
  3. Praten en uitleg geven. De pedagogisch medewerker stimuleert bijvoorbeeld het taalgebruik en taalbegrip van de kinderen (aanmoedigen) door mét kinderen te praten;
  4. Ontwikkelingsstimulering. De pedagogisch medewerker speelt bijvoorbeeld mee tijdens rollen-en fantasiespel om de zone van naaste ontwikkeling te stimuleren;
  5. Begeleiden van interacties. De pedagogisch medewerker bevordert bijvoorbeeld positieve interacties tussen kinderen door interessante gesprekken op te starten.

4. De ontwikkeling van het individuele kind

4.1 Het volgen van de ontwikkeling van het individuele kind

De kinderen worden gevolgd in hun ontwikkeling via het kindvolgsysteem. Er is een observatie na een wenperiode van drie maanden, vervolgens rond 2.11  jaar en tot slot rond 3.11 jaar. De observaties gaan aan de hand van de peuterestafette. Daarnaast kunnen de pedagogisch medewerkers na drie maanden en rond de 2.11 jaar de Kijklijstleerkracht in vullen voor een uitgebreider beeld van de sociaal-emotionele ontwikkeling. Na de wenperiode van ongeveer drie maanden gaat vooral daar de aandacht naar uit, er wordt goed gekeken naar de basiskenmerken. Er wordt in de eerste instantie veel aandacht besteedt aan het laten veilig voelen van het kind in de groep. Dat het zelfvertrouwen heeft en een gevoel van nieuwsgierigheid ervaart. Pas dan wordt leren en ontwikkelen mogelijk en leuk.

Per thema wordt er een themaplanning gemaakt. De kinderen krijgen verschillende activiteiten aangeboden. De pedagogisch medewerkers hebben inzicht in de verschillende ontwikkelingsfasen en de stappen die kinderen daarin kunnen nemen, door het gebruik van de CED-leerlijnen en de ontwikkelingskaarten van SLO. Zij passen hun inzet hierop aan.

Op basis van de dagelijkse observaties, de informatie van de ouders en de observatielijsten bepaalt de pedagogisch medewerker een gericht aanbod voor het kind. Kinderen worden dan individueel of in een kleine groep gestimuleerd en uitgedaagd door middel van spel en begeleidde activiteiten binnen het lopende thema.

4.2 De doorlopende ontwikkellijn met het basisonderwijs

De kinderen van de Mus gaan naar verschillende basisscholen, de Mus heeft dan ook met verschillende scholen een doorgaande lijn. Bij de meeste kinderen gaat dit aan de hand van het Amsterdams Uniform Overdrachtsformulier, deze wordt besproken in het eindgesprek met de ouders rond 3.11 jaar. De ouders worden betrokken bij deze overdracht en verlenen hier toestemming voor.  Wanneer er sprake is van zorg, of wanneer er externe zorginstanties betrokken zijn geweest bij een kind dan zorgt de Mus altijd voor een warme overdracht. Rond 3.9 jaar neemt de Mus, uiteraard alleen met toestemming van de ouders, contact op met de toekomstig basisschool. Er kan overlegt worden of het prettig is als de internbegeleider vooraf komt observeren. De warme overdracht gaat altijd mondeling.
Het kabouterhuis kan eventueel ondersteunen in de overgangsfase.

4.3 Het mentorschap

Het mentorschap krijgt bij de Mus een andere invulling dan bij andere reguliere kinderdagverblijven. Bij de Mus is er één betaalde pedagogisch medewerker in dienst, zij is de mentor voor alle kinderen. Voor de kinderen en de ouders is dit erg helder. Maar door de kleinschalige en intieme opzet van de Mus zijn alle betrokken pedagogisch medewerkers en vrijwilligers de ‘mentor’ van het kind. De onbetaalde beroepskrachten worden ook betrokken bij de observaties, de oudergesprekken en de overdracht naar school.
In principe volgt de mentor de ontwikkeling van het kind en is zij het eerste aanspreekpunt voor de ouders, collega’s en is ze verantwoordelijk voor de overdracht naar school. Als zodanig zal de pedagogisch medewerker zich ook aan de ouders kenbaar maken wanneer het kind start bij de Mus.


Maar nogmaals het is bij de Mus echt een samenwerking, het nuance verschil zit erin dat de betaalde pedagogisch medewerker, de betaalde beroepskracht de eindverantwoordelijkheid heeft over het kinddossier, de oudergesprekken en de overdracht naar school. Zij moet het overzicht behouden en zorgen dat alles correct verloopt, maar voor al deze stappen kunnen de onbetaalde beroepskrachten worden meegenomen.

4.4. Bijzonderheden in de ontwikkeling van kinderen signaleren

Peuters verschillen van elkaar. Iedere peuter ontwikkelt zich in zijn eigen tempo en op zijn eigen manier. Sommige peuters zijn traag in hun ontwikkeling zonder dat dit verontrustend hoeft te zijn. Bij de meeste peuters verloopt de ontwikkeling zonder problemen. Vragen over de ontwikkeling van een peuter die bij een pedagogisch medewerker op kunnen komen zijn bijvoorbeeld; ‘Hoort en ziet het kind wel goed’? Is zijn gedrag agressief, druk of juist stil en teruggetrokken? Gaat het niet te laat praten? Is dit nog normaal of is dit afwijkend?’. Een pedagogisch medewerker hoeft niet te bepalen wat er aan de hand is, maar wel of er misschien wat aan de hand kán zijn. Bij peuters is het vaak moeilijk vast te stellen of er sprake is van een ontwikkelingsstoornis. Als het kind duidelijk afwijkt van de gebruikelijke ontwikkeling, dan wordt dit met de ouders besproken. Zowel onterechte geruststelling als onterechte verontrusting kan nadelig zijn voor de ontwikkeling van de peuter. Is er inderdaad sprake van een afwijkende ontwikkeling, dan wordt er samen met de ouders bekeken wat de vervolgstappen moeten zijn.

De pedagogisch medewerkers volgen de kinderen gedurende de ochtend. Als hen dingen opvallen bespreken ze die eerst onderling. Vervolgens, als daar aanleiding voor is, delen ze de observatie met de ouders. Meestal op een zo informeel mogelijke wijze, bijvoorbeeld bij het halen of brengen. Het streven is te komen tot één uniforme aanpak van bepaald gedrag thuis en bij De Mus. Observaties van problemen hebben uitsluitend betrekking op opvallend ‘anders’ gedrag of op (zorgwekkende) achterstanden in de ontwikkeling. Indien hier aanleiding voor is kan gezamenlijk gezocht worden naar passende begeleiding buiten de peuterspeelzaal. Bijvoorbeeld gezamenlijk met het Kabouterhuis.

De observaties worden bijgehouden in het kinddossier, het kinddossier is ten allen tijden inzichtelijk voor ouders, de pedagogisch medewerkers schrijven dan ook geen observaties met betrekking tot zorg in het kinddossier zonder dit eerst besproken te hebben met de ouders. Wanneer er tot een gemeenschappelijke aanpak is gekomen wordt dit ook in het kinddossier genoteerd zodat dit altijd terug te vinden is voor andere pedagogisch medewerkers en vrijwilligers.

Wanneer de pedagogisch medewerkers twijfels hebben over het opvallende gedrag kan ook de pedagogisch coach komen observeren. Dit gebeurd uiteraard niet zonder toestemming van de ouders. Indien het mogelijk is, is de coach ook aanwezig bij het zorggesprek met de ouders, anders wordt dit gesprek, indien hier behoefte aan is, voorbereidt met de coach en de pedagogisch medewerkers.

Wanneer er sprake is van opvallend gedrag doorlopen de pedagogisch medewerkers de volgende stappen:
1) Observatie
2) Bespreken met ouders
3) Komen tot een gezamenlijke plan van aanpak
4) Deze kan worden weggezet in een stimuleringsplan aan de hand van het format van trapsgewijs. De pedagogisch medewerkers vullen het ABC-schema en de Trapsgewijs in. Dit wordt ook besproken met de ouders. Ze voeren het stimuleringsplan enkele weken uit en evalueren deze naderhand. Is het gedrag verbeterd? Of moet het stimuleringsplan worden aangepast?
4) Als er behoefte aan is, bespreken met coach
5) Mogelijke observatie van de coach
6) Inschakelen externe

Doordat je als pedagogisch medewerker een goed beeld moet hebben van de gemiddelde ontwikkeling van een kind om een opvallende ontwikkeling te kunnen signaleren, gaan de pedagogisch medewerkers gedurende een schooljaar af en toe geschoold worden aan de hand van de Z’evenZien methodiek. Deze methodiek gaat ook in op zo neutraal mogelijk observeren. Zodat de gekleurde brillen waar wij als mensen allemaal doorheen kijken geen invloed hebben op de observatie van het kind. Daarnaast richt de coaching zich dit jaar op het werken met Trapsgewijs.

4.5 Vermoeden huishoudelijk geweld en kindermishandeling

De Mus c.q alle pedagogisch medewerkers hebben een signalerende functie wat betreft mishandeling. Als pedagogisch medewerkers tekenen van kindermishandeling signaleren, zullen zij het protocol kindermishandeling volgen. Er wordt in dergelijke gevallen altijd contact opgenomen met de pedagogisch coach- beleidsmedewerker of iemand van het bestuur.  De Mus maakt gebruik van de Meldcode voor huiselijk geweld en kindermishandeling en voert daarbij mogelijk een gesprek met de ouders. Bij andere gesignaleerde problemen – bijvoorbeeld in de ontwikkeling van kinderen – worden de ouders op de hoogte gesteld. Vervolgens wordt gezamenlijk gezocht naar een passende instantie die ondersteuning kan bieden. Hierbij heeft De Mus een samenwerking met het Ouder- en Kindteam Oud – Oost, deze is gevestigd aan de Pontanusstraat 278, 1093 SH Amsterdam, contactpersoon Hortence van Gom. Email:
Telefoon: 020 – 555 5961 

De pedagogisch medewerkers van de Mus zijn toegerust om lichte opvoedondersteuning te bieden, kinderen te observeren, te volgen en bij zorg signalen door te geven aan ouders, de coach, het bestuur en eventueel het Ouder en Kindteam Oud-Oost of andere zorgpartners. Wanneer er sprake is van externe zorgondersteuning is het belangrijk dat de pedagogisch medewerker zich kan blijven focussen op haar primaire taak: het begeleiden van de peuters in de groep. De pedagogisch medewerker blijft betrokken bij het proces, maar is zich ook bewust van haar grenzen.

4.6. Oudergesprekken

De mus verplicht ouders/ verzorgers niet tot oudergesprekken. Doordat er bij de Mus de ruimte is voor een uitgebreide breng- en haaloverdracht gaven ouders/ verzorgers aan weinig behoefte aan oudergesprekken te hebben. De afspraak is nu, de medewerkers bieden de mogelijkheid, maar ouders hoeven hier niet op in te gaan. Wanneer er sprake is van zorg worden de ouders ook niet verplicht tot oudergesprekken, maar wordt er wel benadrukt dat het juist heel prettig kan zijn voor de ouders/ verzorgers en het kind om een keer rustig in gesprek te gaan met één van de pedagogisch medewerkers.

De ouders/ verzorgers krijgen de optie aangeboden voor minstens drie oudergesprekken in de tijd dat hun kind bij de Mus is. Tijdens deze gesprekken kan de peuterestafette als onderlegger gelden. Bij de Mus vinden we de input van de ouders/ verzorgers over hun kind ook heel belangrijk. Dit blijkt ook uit tijd die er wordt genomen voor een uitgebreide mondelinge overdracht bij het halen of brengen. Tijdens de oudergesprekken wordt er ook altijd gevraagd naar de mening van de ouders/ verzorgers. Dit vinden wij bij de Mus heel belangrijk. De ouders/ verzorgers zijn verantwoordelijk voor het kind en zij hebben en houden altijd de meeste invloed op het kind. Een goede samenwerking met de ouders/ verzorgers is een voorwaarde om goed met de kinderen te kunnen werken.  Om ouders/ verzorgers voorafgaand aan een oudergesprek ook de mogelijkheid te geven om ook iets voor te bereiden kunnen ze de Kijklijstouders mee krijgen. Deze zoomt in op de persoonseigenschappen en de sociaal-emotionele ontwikkeling van een kind. Het zorgt voor boeiende gespreksstof.

5. Personeel

Er is een vaste betaalde beroepskracht bij De Mus met een passende opleiding tot pedagogisch medewerker. Deze wordt bijgestaan door twee vaste vrijwilligers. Vaak zijn de twee vrijwilligers op die dag ook beroepskracht. De vaste beroepskracht is alle ochtenden dat De Mus open is aanwezig en is mentor van alle kinderen. Tevens is de beroepskracht aanspreekpunt voor de ouders.

5.1 Vrijwilligers

De Mus werkt met vaste vrijwilligers en beroepskrachten. De vrijwilligers staan altijd samen met een betaalde beroepskracht op de groep en worden ook aangestuurd door de beroepskracht. Een deel van de vrijwilligers zijn geschoold binnen het pedagogisch werk. Voor de contiuniteit op de groep is de wens dat een vrijwilliger twee ochtend per week beschikbaar is, dit is niet altijd haalbaar. De betaalde beroepskracht staat vier ochtenden per week met dezelfde vrijwilliger op de groep, met uitzondering van de woensdag.

De vrijwilligers ondertekenen een vrijwilligersovereenkomst. In de vrijwilligersovereenkomst worden afspraken gemaakt over werkzaamheden, aanvang en einde van de overeenkomst, proefperiode, begeleiding, informatie, scholing, onkostenvergoeding, verzekeringen en geheimhoudingsplicht.

De taken van een vrijwilliger bestaan uit:
De kinderen helpen (buiten)spelen en leren samen spelen.
Samen puzzelen, knutselen of andere werkjes maken.
Voorlezen, alleen of aan een groepje kinderen.
Samen met de kinderen zingen en dansen.
Fruit schillen en de tafel klaarzetten voor het eten en drinken.
Het verschonen van de luiers en/of het helpen bij het naar het toilet gaan.
De kinderen troosten bij verdriet.
Helpen bij het leren opruimen van het speelgoed.
Bijhouden van de presentielijst.
Dagritmekaarten maken.
Monitoren hoe het wennen verloopt van nieuwe kindjes.
Helpen bij de organisatie van feestjes (eindejaarsfeest, jaarlijks uitje, hulp bij organiseren Pasen, Kerst).
De gang van zaken bespreken met de beroepskracht aan het begin en einde van de dag.

De vrijwilligers lezen het pedagogisch beleid bij aanvang van de vrijwilligersperiode en bij eventuele  veranderingen in het beleid. Met het tekenen van de overeenkomst geven zij aan zich te committeren aan dit pedagogisch beleid. Daarnaast zijn zij op de hoogte van de Meldcode huiselijk geweld en het veiligheids- en gezondheidsbeleid.

Alle vrijwilligers zijn in het bezit van een Verklaring omtrent gedrag (VOG). Tevens volgen alle vrijwilligers een EHBO cursus voor kinderen van het Rode Kruis. Verdere scholing en training is mogelijk in overleg.

De vrijwilligers worden begeleid door de vaste pedagogisch medewerkers en het bestuur. Dit gebeurt tijdens de dagelijkse werkzaamheden. Mocht er extra begeleiding nodig zijn dan wordt er een gesprek gepland met iemand van het bestuur.

Vrijwilligers zijn tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd.

5.2 Scholing en ondersteuning van de leidsters

Beroepskrachten worden gestimuleerd om te blijven leren. Ieder jaar wordt er met de pedagogisch medewerkers gekeken naar trainingen waar subsidie voor kan worden aangevraagd. Het bestuur stelt de pedagogisch medewerkers op de hoogte van passende trainingen. Mocht bijscholing noodzakelijk zijn om het beroep goed te kunnen blijven uitoefenen dat wordt de pedagogisch medewerker door De Mus in staat gesteld deze bijscholing te volgen.

De beroepskracht heeft recht op een jaarlijks functioneringsgesprek met het bestuur. In dit gesprek kan desgewenst een persoonlijk ontwikkelingsplan worden opgesteld.

5.3 Gedragsregels leidsters

Met de pedagogisch medewerkers heeft Stichting de Mus de onderstaande gedragsregels afgesproken:
We spreken niet over de hoofden van kinderen maar lopen naar elkaar toe om iets te overleggen en te bespreken.
We spreken met elkaar op een rustige toon en passen ons stemgeluid aan.
We spreken niet over privézaken en kijken niet op onze telefoon gedurende de tijd dat we met de kinderen bezig zijn.
We blijven te allen tijde rustig, ook als een kind niet luistert of agressief reageert.
We geven het goede voorbeeld en spreken niet door elkaar heen.
We vallen elkaar niet in de rede als we met de kinderen bezig zijn, we wachten op elkaar tot we zijn uitgesproken.
We zijn betrouwbaar en consistent in ons gedrag.
We wijzen plagen en pesten te allen tijde af.
We benaderen kinderen positief en letten meer op de dingen die goed gaan dan de dingen die minder goed gaan.
We luisteren naar de kinderen en nemen hen serieus.
We praten niet over gedrag, huiselijke omstandigheden of andere (privacy) gevoelige informatie van het kind in het bijzijn van niet direct betrokkenen.
Iedereen wordt geaccepteerd zoals hij is. Alle mensen zijn verschillend en dat is prima.

5.4 Bestuur

Er is voor gekozen om het bestuur te laten bestaan uit ouders. Het bestuur bestaat uit een bestuursvoorzitter, een penningmeester, een secretaris en personeelsfunctionaris.

Het bestuur draagt op vrijwillige basis zorg voor de continuïteit, het personeelsbeleid, informatievoorziening en financiën. Drie tot vier keer per jaar vindt er een bestuursvergadering plaats om de dagelijkse gang van zaken en het beleid te bespreken. De vaste bestuursleden zijn in het bezit van een verklaring omtrent gedrag (VOG). De bestuursleden zijn ingeschreven als functionaris bij de KvK en vormen gezamenlijk de rechtspersoon.

6. Ouderbetrokkenheid en oudercommunicatie

Van oudsher is De Mus een stichting waarbij ouderparticipatie een belangrijke pijler is. Dit betekent dat ouders allemaal op hun eigen manier een steentje bijdragen aan de stichting en het succes van De Mus. Het bestuur bestaat in zijn geheel uit ouders waarbij belangrijke keuzes met betrekking tot veranderingen te alle tijden in samenspraak met de andere ouders worden genomen.

Dagelijks is er bij het brengen en halen een (kort) contactmoment waarin bijzonderheden over en weer worden overgedragen.

6.1 Ouderactiviteiten

Het bestuur van De Mus organiseert minimaal twee keer per jaar een ouderavond. Tijdens deze ouderavonden worden alle plannen voor de Mus met elkaar besproken.

Ook wordt er ieder jaar een Musklusdag georganiseerd met alle ouders. Een dag waarbij ouders de handen ineenslaan om de ruimte van De Mus te verbeteren en op te knappen waar nodig. Daarnaast verzorgen ouders de dagelijkse schoonmaak, het algemeen onderhoud van het pand en de tuin, de was, feestcommissie e.d.

Bij de Mus is er sprake van een zeer sterke ouderbetrokkenheid en ouderparticipatie, door de bijzondere opzet van de Mus zijn alle ouders nauw betrokken bij de peuterspeelzaal. De mate van ouderparticipatie is hoog, het bestuur wordt gevormd door ouders.

Ouderbetrokkenheid bij de opvoeding en ontwikkeling is een belangrijke voorwaarde voor een goede (taal)ontwikkeling van de kinderen. De Mus werkt themagericht, bij ieder thema zorgen de pedagogisch medewerkers dat er ook een thuisactiviteit is die de ouders samen met hun kinderen thuis kunnen doen. Het is voor kinderen leuk en leerzaam om ook thuis met een thema bezig te zijn. Ze kunnen dan ook vertellen aan de ouders wat ze bij de Mus hebben gedaan. Dit vergroot de ouderbetrokkenheid van de ouders bij het thema en zorgt ervoor dat het spelenderwijs leren ook thuis kan worden voortgezet.
Wanneer er bepaalde materialen nodig zijn voor een thema dan worden ook de ouders hiervoor ingezet.
De Mus maakt ook gebruik van de verschillende interesses, talenten en beroepen van de ouders. Misschien is er wel een ouder die bij de ambulance werkt, of een ouder die heel mooi gitaar kan spelen of verhalen kan vertellen. Bij de intake met de ouders wordt er hier ook altijd naar gevraagd zodat er op een later moment gebruik van kan worden gemaakt.

6.2 Oudercommissie

Op dit moment heeft de Mus geen Oudercommissie. Gezien de kleine club ouders en de grote participatie door al deze ouders is er in samenspraak met alle ouders voor gekozen nu geen aanvullende oudercommissie op te richten. Belangrijke zaken komen aan bod op de ouderavonden. Indien nodig wordt er een extra ouderavond georganiseerd. Mocht er in de toekomst vanuit ouders een behoefte ontstaan om een oudercommissie op te richten met voldoende animo dan zal deze alsnog worden opgericht. De oudercommissie is iedere ouderavond een agendapunt en ouders kunnen op ieder moment bij het bestuur of de leidsters aangeven dat zij een oudercommissie willen oprichten.

6.3 Nieuwsbrief en WhatsApp-groep

De bestuursvoorzitter verstuurt minimaal tweemaandelijks een elektronische nieuwsbrief met daarin informatie over de gang van zaken. Indien nodig verstuurt De Mus belangrijke mededelingen via de mail buiten de reguliere nieuwsbrief om, bijvoorbeeld over ziekte en vrije dagen. Alle ouders worden na inspraak toegevoegd aan De Mus WhatsApp-groep. Daarin delen ouders informatie over hun kind en de gang van zaken bij De Mus.

6.4 Evaluatiegesprek en plaatsingsbewijs

Bij het plaatsen van een nieuw kind tekenen de ouders en het bestuur een plaatsingsovereenkomst. Er is dan ook kans om het pedagogisch beleid door te lezen en hier vragen over te stellen. In de weken na plaatsing van het kind worden de ouders bij het halen en brengen informeel ingelicht over hoe het kind functioneert op De Mus. Ouders kunnen op ieder moment een evaluatiegesprek aanvragen met het bestuur of een leidster.

7. Overige punten

7.1 Privacy

Ten aanzien van de persoonlijke gegevens van ouders en kinderen neemt De Mus de privacywetgeving in acht.

7.2 Geschillencommissie

De Mus is aangesloten bij de Geschillencommissie en heeft een professionele klachtenprocedure. Ouders kunnen een klacht ook bespreken met het bestuur of de leidsters.

7.3 Registratie

Stichting De Mus is volgens de statuten een stichting met onderneming opgericht in juli 1985 door een groep ouders en ingeschreven bij de Kamer van Koophandel te Amsterdam in het Stichtingenregister onder nr. 41204686.